Om de zes jaar brengt het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek (INBO) de toestand van de natuur in Vlaanderen in kaart in het kader van de Natura 2000-rapportage die lidstaten aan de Europese Commissie moeten bezorgen. Het nieuwste rapport werd vrijdag door het INBO gepubliceerd.
De conclusie op een Valentijnsdag is weinig romantisch: de globale toestand gaat er amper op vooruit. De patrijs is uit veel akkers verdwenen, de veldleeuwerik hoor je nog zelden boven de graanvelden.
De oorzaken verrassen niet. Onze natuur droogt uit door een veranderend klimaat, kwetsbare heide en vennen krijgen nog altijd te veel stikstof te verwerken en het landschap ligt er versnipperd bij. Slechts een kwart van de beschermde soorten verkeert in gunstige staat en voor hun leefgebieden is dat amper 4%.
Dat is geen boodschap om weg te wuiven, maar het is ook geen reden om in paniek te schieten. En toch duiken telkens dezelfde reflexen op. Aan de ene kant heb je de groenfanaten die peperdure miljardenplannen presenteren die niemand kan betalen of waar amper draagvlak voor bestaat.
Aan de andere kant de ontkenners, die elke maatregel voor natuur etaleren als een aanslag op jobs, groei en welvaart. Beide reacties zijn te simpel. En vooral: ze lossen niets op.
Het rapport vertelt ook een ander verhaal. Het levert bewijs dat het wel kan waar er gericht aan natuurherstel wordt gedaan. Onze waterveiligheid gaat erop vooruit en de otter begint zich thuis te voelen in de Scheldevallei dankzij grootschalige projecten zoals het Sigmaplan. In bossen waar meer dood hout blijft liggen, keert de specht terug. We zien het misschien niet in de geboortecijfers, maar ook de ooievaar doet het steeds beter in Vlaanderen. Dat zijn geen theorieën, maar tastbare resultaten van een beleid dat keuzes durft maken en dat volgehouden wordt. Dat laatste is geen detail. Want natuur herstellen gaat niet van vandaag op morgen. Het is geen sprint, wel een marathon.
Maatregelen tegen zure regen uit de jaren ’90 tonen vandaag pas hun volle effect. We kunnen hier de parallel trekken met een stabiel stikstofbeleid. Het vergt tijd, geduld en vooral politieke standvastigheid. Wie vandaag zaait, oogst morgen. Maar alleen als we niet halverwege afhaken.
Wat ook niet helpt, is het karikaturale debat dat te vaak over natuurbeleid wordt gevoerd. Denk maar aan de beruchte wilde hamster en de nog beruchtere hamstercoördinator, die terecht werd afgeschaft door de vorige omgevingsminister. Zulke anekdotes blijven rondzingen omdat ze gemakkelijk scoren maken natuurbeleid belachelijk en wekken de indruk dat het alleen om pietluttige beestjes gaat. Terwijl de vraag veel fundamenteler is: hoe zorgen we ervoor dat Vlaanderen leefbaar blijft. Dat gaat niet alleen over zeldzame soorten. Het gaat ook over natte kelders, hete zomers en dure waterfacturen. Het gaat over gezondheid, veiligheid en levenskwaliteit.
In tijden waarin geopolitieke spanningen, energieonzekerheid en de nood aan economische weerbaarheid ons voor existentieel belangrijke uitdagingen plaatsen, verdwijnen continu-existentiële zaken, zoals milieubeleid, naar de achtergrond. Begrijpelijk? Ja. Moeten we ons daarbij neerleggen? Nee. Zonder veiligheid en zonder economische stabiliteit is er geen ruimte om in natuur te investeren, akkoord. Maar dat maakt natuur nog geen bijzaak. Integendeel.
Een gezond leefmilieu is geen hobby voor rustige tijden. Ze is een buffer tegen overstromingen. Ze zuivert ons water. Ze koelt onze steden en gemeenten af. Ze maakt onze omgeving leefbaar. Ze maakt deel uit van onze identiteit. Daarom spendeert Vlaanderen dit jaar 3,4 miljard euro aan omgeving. Op een totaalbudget van 66 miljard is dat geen klein geld.
Toekomstig milieubeleid moet een verhaal van perspectief zijn. Mensen moeten zien dat inspanningen werken, en dat iedereen daar aan kan bijdragen. En dat dit niet ten koste gaat van hun job, hun woning of hun toekomst.